Duikongevallen halen soms wereldwijd het nieuws. Zeker wanneer ze plaatsvinden op grote diepte, in een grot of tijdens een technisch ingewikkelde expeditie. Voor niet-duikers kan daardoor gemakkelijk het beeld ontstaan dat duiken per definitie een gevaarlijke sport is. De werkelijkheid ligt genuanceerder. Er bestaat een enorm verschil tussen recreatief duiken binnen de grenzen van je opleiding en bijvoorbeeld technisch duiken, diepduiken of grotduiken.
De meeste duikers zijn recreatieve duikers. Tijdens hun opleiding leren ze niet alleen hoe hun duikuitrusting werkt, maar vooral hoe ze risico’s onder water kunnen beperken. Daar horen duidelijke grenzen bij. Recreatieve duikers blijven normaal gesproken binnen een maximale diepte van 40 meter, waarbij de precieze maximale diepte afhankelijk is van opleiding en ervaring. Beginnende Open Water-duikers blijven bijvoorbeeld aanzienlijk ondieper.
Ook wordt een duik zo gepland dat een directe opstijging naar de oppervlakte in principe mogelijk blijft. Recreatieve duikers plannen normaal gesproken geen verplichte decompressiestops en gaan zonder aanvullende opleiding niet diep een grot of wrak binnen. Binnen die grenzen, met de juiste opleiding en een goede voorbereiding, kan recreatief duiken veilig worden beoefend.

Duiken vindt plaats in een omgeving waarin wij mensen niet zelfstandig kunnen ademen. Dat betekent automatisch dat er risico’s zijn. Problemen kunnen bijvoorbeeld ontstaan door onvoldoende gasvoorraad, een te snelle opstijging, problemen met apparatuur, medische omstandigheden of verkeerde beslissingen. Ook omstandigheden zoals stroming, slecht zicht, kou en golven kunnen een duik moeilijker maken.
Een belangrijk onderdeel van een duikopleiding draait daarom om het voorkomen én oplossen van problemen. Je leert je gasvoorraad controleren, samen met een buddy duiken, veilig opstijgen en handelen wanneer iets niet volgens plan verloopt. Ook de belangrijkste regel is eigenlijk heel eenvoudig: duik binnen de grenzen van je opleiding en ervaring.
Met toenemende diepte wordt duiken complexer. De druk neemt onder water toe en daardoor verbruik je op grotere diepte aanzienlijk meer ademgas. Op 50 meter diepte is de omgevingsdruk bijvoorbeeld ongeveer zes keer zo hoog als aan de oppervlakte. Een duiker verbruikt daar, bij dezelfde ademhaling, zijn gasvoorraad veel sneller dan in ondiep water.
Daarnaast neemt tijdens een duik inert gas, zoals stikstof, op in de lichaamsweefsels. Tijdens de opstijging moet dat gas het lichaam weer gecontroleerd kunnen verlaten. Een te snelle of onvoldoende gecontroleerde decompressie kan leiden tot decompressieziekte (DCS). De symptomen daarvan lopen sterk uiteen: van relatief milde klachten tot ernstige neurologische problemen.

Foto: JP Bresser
Bij technisch duiken worden bewust grenzen overschreden die bij recreatief duiken juist worden vermeden. Duikers kunnen bijvoorbeeld dieper gaan, langere duiken maken of een duik uitvoeren waarbij ze niet op ieder moment rechtstreeks naar de oppervlakte kunnen.
Dat vraagt om een andere manier van plannen. Technische duikers nemen vaak meerdere cilinders met verschillende gasmengsels mee. Op grotere diepte kan bijvoorbeeld helium worden toegevoegd aan het ademgas om de effecten van stikstofnarcose en een hoge gasdichtheid te beperken. Ook kunnen verschillende gassen worden gebruikt tijdens de decompressie. Daarbij is het essentieel dat een duiker op de juiste diepte het juiste gas gebruikt.
Sommige technische duikers gebruiken een closed circuit rebreather (CCR). Daarbij wordt een groot deel van het uitgeademde gas opnieuw gebruikt. Koolstofdioxide wordt verwijderd en zuurstof wordt aangevuld. Dat biedt grote voordelen, maar voegt tegelijkertijd nieuwe aandachtspunten en mogelijke problemen toe. Daarom zijn voor technisch duiken aanvullende opleidingen, procedures en veel oefening noodzakelijk.
Ook een grot of diep binnengedrongen wrak verandert de situatie fundamenteel. Wanneer er boven je geen directe toegang tot de oppervlakte is, kun je bij een probleem niet simpelweg opstijgen. Je moet eerst de uitgang bereiken.nGrotduikers gebruiken daarom onder andere een lijn om de weg naar buiten terug te kunnen vinden. Ze hebben meerdere lampen bij zich en beschikken over een ruime reserve aan ademgas. Een storing die tijdens een eenvoudige duik vervelend is, kan in een grot veel grotere gevolgen hebben. Daarom wordt vooraf rekening gehouden met het uitvallen van apparatuur en worden noodprocedures uitgebreid getraind.

Een veelgemaakte denkfout is dat veel recreatieve duikervaring iemand automatisch geschikt maakt voor technisch of grotduiken. Dat is niet zo. Iemand met honderden recreatieve duiken kan een uitstekende duiker zijn, maar beschikt daarmee niet automatisch over de vaardigheden om veilig een diepe grot binnen te gaan of een complexe decompressieduik uit te voeren. Voor iedere nieuwe vorm van duiken zijn specifieke kennis, training en ervaring nodig.
Duiken is niet zonder risico. Je begeeft je tenslotte in een omgeving waarvoor je afhankelijk bent van apparatuur en aangeleerde vaardigheden. Maar de vraag ‘Is duiken gevaarlijk?’ is eigenlijk te algemeen. Een rustige recreatieve duik binnen de grenzen van je brevet, onder geschikte omstandigheden en met goed onderhouden materiaal is niet te vergelijken met een diepe technische grotduik. Hoe verder je de grenzen verlegt, hoe meer kennis, materiaal, planning en training noodzakelijk worden. Misschien is dat wel een van de belangrijkste principes binnen de duiksport: je hoeft niet bang te zijn voor de onderwaterwereld, maar je moet de omgeving en je eigen grenzen wel serieus nemen.
Gebaseerd op informatie van DAN Europe/Alert Diver over de verschillen tussen recreatief, technisch en grotduiken.
Laat een reactie achter