Begin 19e eeuw was Boka Slagbaai de enige haven van Bonaire. Zout, aloë vera, peulen en houtskool werden vanaf hier verscheept naar Curaçao. Nu, in de 21e eeuw, is het een stuk rustiger in de baai wat tegenwoordig onderdeel uitmaakt van het Washington Slagbaai National Park. Toch heeft het verleden flink haar sporen achtergelaten. We duiken op oude kanonnen en overnachten tussen de dolende geesten van slaven.

Puur Bonaire

Het zand stuift op van de kronkelige weg, stenen ketsen tegen onze auto aan. Zuilcactussen priemen verticaal omhoog uit de grond en ik zie magere geitjes wegspringen tussen het prikkelige struikgewas. We zijn op weg naar Boka Slagbaai, gelegen in het Washington Slagbaai National Park. Ik heb er nooit bij stilgestaan dat de natuur zo ruig kon zijn op Bonaire. Hier staan geen huizen, hier is geen asfalt. Zover het oog reikt groeien planten die het droge steppeklimaat van het Caribische eiland weten te trotseren.

We passeren groene aloëvelden en kalksteenterrassen omzomen de ruige kusten. De Brandaris, de hoogste berg van het eiland met zijn 241 meter, volgt met een wakend oog onze gehele rit. Na zo’n dik half uur rijden zien we in de verte een baai met enkele okergele panden. Het water is azuurblauw en pal ernaast ligt een meer met een roze gloed. Het lijkt wel een plaatje uit een geschiedenisboek.

We zijn er!

Het is heerlijk rustig in Boka Slagbaai. Er is geen enkele andere duiker te bekennen, slechts wat  dagjesmensen die hier even een korte stop houden. Tijdens onze heenreis hebben we sowieso weinig mensen gezien, terwijl in het hele park toch echt 12 duikstekken te vinden zijn waar je zo naartoe kunt. In de schaduw van het oude zoutmagazijn maken we ons gereed voor de eerste duik.

We gaan op zoek naar oude kanonnen, die niet al te diep moeten liggen. Bijzonder was dat bijna niemand wist waar deze geschutstukken zouden moeten liggen. Gelukkig kon een lokale duikgids van Buddy Dive ons wel exact vertellen waar we moeten kijken. «Bij de hoek van de rotswand moet je linksaf. Daar vind je ze op ongeveer 3 meter diepte.» Het klinkt allemaal heel makkelijk en we volgen de instructies op. Hoe moeilijk kan het zijn, een kanon vinden? En met dit zicht van wel 20 meter…

Waarschijnlijk zijn de kanons afkomstig van WIC-schepen.

Iets verderop ligt nog eenzelfde kanon. Weer zo’n grote jongen!

We speuren de bodem af en ik wil René al enthousiast signaleren: ik heb ‘m! Maar wanneer ik goed kijk, constateer ik dat het gewoon een balk is. Helaas. Dan is het raak: mijn buddy heeft er eentje gevonden. Wat een enorm massief ding. Dit kanon is afkomstig van de kazemat, boven op de rotsen, om de haven te verdedigen. Je moet wel even goed kijken want het kanon gaat goed op in zijn omgeving. Twee vlindervissen pikken met hun snuitjes op het kanon, waarschijnlijk op zoek naar een hapje. Een papegaaivis is het hier echter niet mee eens en jaagt ze allebei weg.

Zo. Hij heeft het kanon weer voor zichzelf. Iets verderop ligt nog eenzelfde kanon. Weer zo’n grote jongen! We gaan op zoek naar andere historische overblijfselen die hier moeten liggen. Vooral in het midden van de baai moet het een en ander te vinden zijn. We ontdekken een grote molensteen en daar vlakbij liggen gigantische blokken van wel een meter hoog. Aha, dit zijn dus de ballaststenen! Op de plaatjes leken ze kleiner. Ik ontdek her en der ook nog wat voorwerpen, en probeer te bedenken waarvoor ze gediend hebben. Geweldig om zo de bodem af te struinen op zoek naar stukjes geschiedenis.

Vanaf Kralendijk is het ongeveer een half uur rijden. Bij de ingang van het WSNP is een bezoekerscentrum met een museum, bibliotheek en een overzicht van de wandelroutes.

Slachthuis

De dagjesmensen hebben het strand verlaten, wel zijn Park Manager Paulo Bertuol en zijn vrouw gearriveerd, samen met communicatiemanager STINAPA Anouschka van de Ven. We zijn nu de enigen. Hoewel, in het meer aan de overkant van de zandweg zijn tientallen flamingo’s aan het pootje baden. Ze staan met hun voeten in een zoutmeer dat in de volksmond saliña wordt genoemd. Hier in het National Park zijn de grootste saliñas te vinden. Naast het feit dat op deze plek vroeger flink zout gewonnen werd, hebben de zoutmeren ook een grote ecologische waarde. Ze vangen namelijk het regenwater en de modder op.

Op deze manier wordt voorkomen dat er een blubberstroom richting zee gaat. Indien er modder op het koraalrif terechtkomt, krijgt het geen zonlicht meer en sterft. De flamingo’s gaan rustig door met socializen en ik kijk nog eens de baai rond. Wat een rust. Het is lastig voor te stellen dat het hier vroeger afgeladen was met mensen. Boka Slagbaai was de eerste haven van Bonaire, compleet met vier monumentale gebouwen: het douanekantoor, het zoutmagazijn, het opzichtershuis en het slachthuis. Ze zien er nog prachtig uit, maar dit is te danken aan de restauratie in 2003.

De flamingo’s gaan rustig door met socializen en ik kijk nog eens de baai rond. Wat een rust.

In deze baai werden geiten geslacht en gezout, om vervolgens naar Curaçao verscheept te worden. Naast het geitenvlees gingen ook dierenhuiden in grote aantallen richting het buureiland. Voor al dit werk werden slaven gebruikt. Deze kregen één keer per week eten waar ze zeven dagen mee moesten doen. Ze hadden geen onderkomen zoals de opzichter: ze sliepen gewoon buiten op de stenen.

Naast de slachterij en zoutwinning waren in Washington Slagbaai ook de grootste plantages van de Nederlandse koloniale tijd te vinden. De dividivipeulen waren van uitzonderlijke kwaliteit en werden in Nederland en Europa gebruikt in leerlooierijen. De aloë vera kende ook vele toepassingen en daarom was de vraag ernaar groot.

Er zijn meerdere theorieën over de naam Slagbaai. De één beweert dat het een verbastering is van slachtbaai. De ander zegt dat het komt van ‘saluba’, Papiamento voor zoutbaai. Vandaag de dag wordt hier niet meer gewerkt en ook niets meer geslacht. Hoewel, Paulo gebaart dat we ons klaar moeten maken voor onze volgende duik. We gaan op koraalduiveljacht!

Ik hoop eigenlijk wel dat we wat mee naar boven nemen. Ook hier is deze rifkiller een ware plaag. Sinds 1971 is speervissen streng verboden. Maar op de koraalduivel mogen lokale mensen met de speciale ELF-speer jagen, waarvoor ze een vergunning hebben. En laat Paulo nou net zo’n vergunning hebben. Hopelijk vinden we er veel want ze smaken heerlijk op de BBQ!

Gegrilde koraalduivel

We duiken weer langs de rotsen, maar gaan nu richting de rifrand. Het is een prachtige wand met gigantische sponzen en zacht koraal. Breinkoraal formaat voetbal ligt her en der verspreid en allerlei kleuren vissen zigzaggen tussen de natuurlijke creaties door. Schitterend! Ik verwacht eigenlijk al binnen enkele tellen een koraalduivel te zien, maar ze laten het afweten.

Teleurgesteld zwem ik achter Paulo aan, waar zijn ze toch? Je duikt toch heel anders als je een doel hebt zoals nu. Normaal kijk ik altijd in alle hoekjes en gaatjes, maar ik ben bezig met de jacht. Eindelijk, een hele dikke! We hebben de smaak te pakken want binnen vijf minuten zien we er nog vier. Paulo schiet steeds raak. Hoewel ik me mijn allereerste koraalduiveljacht nog als de dag van gister herinner, voel ik me nu niet meer schuldig dat we een levende vis afschieten. Koraalduivels vreten heel veel vis op, waaronder veel jonge vis. Aangezien de koraalduivel hier geen natuurlijke vijanden heeft, kan het beest een rif letterlijk terroriseren totdat er niets meer overblijft.

Ook hier is de koraalduivel een ware plaag en mag je met vergunning op deze dieren jagen.

YES! Nog eentje voor op de BBQ!

Op dit moment probeert STINAPA toeristen bewust te maken dat je beter geen barracuda kunt bestellen in een restaurant. Dit in verband met de voortplanting van het dier en omdat er steeds minder voorkomen. De koraalduivel is juist wél goed om te eten omdat ze dus het rif vernietigen.

Wanneer toeristen in restaurants vragen naar koraalduivel in plaats van barracuda, zou dit alleen maar in ieders voordeel zijn – behalve die van de koraalduivel dan… We naderen het einde van de duik en stuiten nog op een enorme langoest. Met zijn gigantische scharen zwaait hij naar de camera en zijn antennes schieten heen en weer. Wat een joekel van een beest! Paulo kijkt blij, we hebben een prima jacht gehad. En dat komt goed uit, want mijn maag is al aan het knorren. Kom maar op met die BBQ!

Paulo en zijn vrouw bereiden de vis als echte chefkoks. En het is heerlijk. Zo uit een aluminiumfoliejasje met geurige kruiden eroverheen. Van Anouschka krijgen we een plastic bekertje met zalige rode wijn. We hebben geen tafel met stoelen, noch een gezellig muziekje, maar de ruisende zee en het uitzicht over de baai is mooier dan welk 5-sterren restaurant dan ook.

Verser kan niet!

Koraalduivel à la carte. Een heerlijke lekkernij.

Dolende slaven

Voor 17.00 uur moet je het park verlaten, maar mijn vriend en ik zullen hier in de baai blijven slapen. Op Bonaire zijn geen campings en wild kamperen is niet toegestaan, alleen in Boka Slagbaai mag je dus wel in de monumentale gebouwen overnachten à la campingstijl. Want er is vrij weinig, alleen een wc en wat elektriciteit. We krijgen een gebouwtje toegewezen waar al twee matrassen klaarliggen. Onze spullen sjouwen we naar binnen, een zaklantaarn houd ik binnen handbereik. «Dit is iets puurs», zegt Anouschka, die hier al meerdere malen heeft overnacht met haar familie. Zij verbleven in het grote zoutmagazijn. «Het is echt puur Bonaire. Je hebt de baai voor jezelf!» Wanneer ze wegrijden in hun auto’s, is de schemering al ingevallen.

Het zoutmagazijn, opzichtershuis, douanekantoor en slachthuis zijn het stille bewijs van de drukke handelsperiode van Bonaire.

We zien de lampen langzaam achter de heuvels verdwijnen. Ik moet wel even slikken. Ik weet niet of ik het zo heel leuk vind dat we de baai voor onszelf hebben. Het bereik is hier nul en de bewoonde wereld ligt toch echt op een paar uur lopen. De golven klinken ineens wel heel luid en de wind blaast boosaardig door de baai. Een luik klappert en wat zie ik daar op het strand… een schim? We waren toch alleen? Mijn vriend geeft me een por in mijn zij en kijkt me lachend aan. Hij heeft al enkele kaarsen aangestoken en trekt een fles wijn tevoorschijn. «Kijk eens omhoog!» zegt hij, en ik zie een prachtige sterrenhemel. Zoveel sterren zie je alleen maar in gebieden waar geen lichtvervuiling is. Schitterend!

Hoewel ik later toch met een ietwat onbehaaglijk gevoel in bed kruip (hoor ik daar niet iets? Is dat geen dolende slaaf uit het verleden? Of misschien wel de Flying Dutchman die rondwaart bij het rif, op zoek naar zijn kanons?) geniet ik van de stilte, de klotsende golven en de wind die tegen ons huisje blaast.

Washington Slagbaai heeft me meer dan verrast, wat een ongerept stuk natuur en cultuur.

Op naar de top

Om 06.00 uur wordt op onze deur gebonsd. «OPSTAAN! We gaan!» Het zijn René én George Kultura, de Chief Ranger van het park. Hij is een enorm charismatische natuurbeschermer, met Indiaans en Spaans bloed. De tanige man met zijn grijze baard, die inmiddels symbool staat voor Bonaire, zal ons begeleiden naar de top van de Brandaris.

De berg is 241 meter hoog en het is een stevige wandeltocht. Af en toe moeten we ook stukken klauteren en Kultura gaat ons lachend voor. Voor zijn leeftijd zet hij nog aardig de sokken erin! We lopen over slingerende weggetjes en we kunnen steeds verder kijken. Het begint wel harder te waaien nu we de top naderen. Eenmaal boven worden we beloond: het uitzicht is schitterend. In de verte zie ik Boka Slagbaai. Het ligt er vredig bij. Cactuswouden bedekken het hele landschap en zoutmeren breken de verweldigende kleur groen in blauw. Washington Slagbaai heeft me meer dan verrast, wat een ongerept stuk natuur en cultuur. Dit is inderdaad Bonaire op zijn puurst.

De summit is gehaald! 241 meter!

 

Bekijk ook: